De werkdruk is de maximale druk waarmee een slang in de praktijk mag worden gebruikt; de barstdruk is de druk waarbij de slang bezwijkt. De verhouding daartussen is de veiligheidsfactor, en die hangt af van de norm waarnaar de slang is gemaakt.
Enkele voorbeelden uit het assortiment:
- NARCORFLEX® OILROUNDER: 5 bar werkdruk, 20 bar barstdruk (factor 4)
- FLOWINFLEX® OILOHM: 10 bar werkdruk, 30 bar barstdruk (factor 3)
- FLOWINFLEX® OILREXTOR en FLOWINFLAT® PROBUNKER: 20 bar werkdruk, 60 bar barstdruk (factor 3)
- FLOWINTUBE® VAPORTOR-18-D (stoom, EN ISO 6134): 18 bar werkdruk, 180 bar barstdruk (factor 10)
Bij slangen die volgens een EN- of ISO-norm zijn gemaakt, ligt de verhouding vast in de norm; zo schrijven sommige EN-normen voor chemieslangen 16 bar werkdruk bij 64 bar barstdruk voor. Bij niet-genormeerde slangen wordt de verhouding met de fabrikant afgesproken.
Belangrijk: de opgegeven werkdruk geldt bij 20 °C met water als medium. Bij een hogere temperatuur of een ander medium kan de toelaatbare druk afwijken. Laat in dat geval vooraf controleren of de slang geschikt is, bijvoorbeeld bij een product van 50 °C dat met 10 bar wordt verpompt. SCHIEMA kan slangleidingen ook testen en certificeren.






